Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond een verzoek van de verdediging centraal om in een ontnemingsprocedure voorafgaand aan de zitting een schriftelijke conclusiewisseling toe te staan. De verdediging beriep zich op de ziekte van de betrokkene en het belang van een goede voorbereiding, mede vanwege onduidelijkheden over de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel en ontbrekende stukken in het dossier.
Het hof oordeelde echter dat een schriftelijke voorbereiding niet zou bijdragen aan een doelmatig verloop van de ontnemingsprocedure. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de rechter niet verplicht is een schriftelijke voorbereiding toe te staan, maar dit kan besluiten indien het bijdraagt aan doelmatigheid. Daarbij is van belang dat ook zonder schriftelijke voorbereiding nieuwe stukken ter zitting kunnen worden overgelegd.
De Hoge Raad stelt dat het oordeel van het hof een waardering van feitelijke aard betreft die slechts beperkt in cassatie kan worden getoetst. Het hof heeft geen onjuiste rechtsopvatting gehanteerd en het oordeel is niet onbegrijpelijk. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.
Deze uitspraak verduidelijkt de grenzen van de toepassing van schriftelijke voorbereidingen in ontnemingsprocedures en bevestigt de discretionaire bevoegdheid van de feitenrechter om dit te weigeren.
Uitkomst: Het verzoek tot schriftelijke voorbereiding in de ontnemingsprocedure wordt afgewezen.