Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
30 januari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit januari 2016. Het geschil draait om de toepassing van het Salduz-verweer, waarbij verdachte stelt dat zijn recht op verhoorbijstand is geschonden bij politieverhoren in 2012.
De Hoge Raad overweegt dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat volstaan kan worden met de constatering dat sprake is van schending van het recht op verhoorbijstand van vóór 1 maart 2016. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uit september 2016 in de zaken Ibrahim e.a./Verenigd Koninkrijk.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgt dit advies. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is geen nadere motivering vereist omdat de middelen niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad wijst het beroep af en bevestigt daarmee het oordeel van het Hof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens onvoldoende gronden voor cassatie over schending verhoorbijstand vóór 2016.