ECLI:NL:HR:2018:1197

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2018
Publicatiedatum
11 juli 2018
Zaaknummer
17/02185
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3:99 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in geschil over verkrijgende verjaring onroerende zaak na ontbinding huwelijksgemeenschap

In deze zaak stond centraal of de moeder van de man door verkrijgende verjaring de eigendom van een onroerende zaak had verkregen die tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde. Het geschil betrof een complexe vermogensrechtelijke kwestie tussen ex-echtgenoten.

De procedure kende meerdere vonnissen in eerste aanleg en het hof heeft op 3 februari 2017 een uitspraak gedaan die door de verzoekster in cassatie werd aangevochten. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen van de lagere instanties voor de feiten en het procesverloop.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering noodzakelijk is omdat de klachten niet bijdragen aan rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep wordt verworpen en partijen dragen ieder hun eigen kosten.

De uitspraak bevestigt daarmee het oordeel van het hof en sluit het geschil af zonder inhoudelijke beantwoording van de rechtsvragen over verkrijgende verjaring in deze context.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en partijen dragen ieder hun eigen kosten.

Uitspraak

13 juli 2018
Eerste Kamer
17/02185
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Weerden,
t e g e n
1. [verweerder 1],
wonende te Sint Maarten,
2. [verweerster 2],
wonende te Saint Martin,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. S.M. Kingma.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en [verweerder] c.s.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak AR 56/2011 van het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 25 juli 2011, 6 maart 2012, 23 april 2013, 17 september 2013, 10 december 2013, 25 maart 2014 en 25 november 2014;
b. de vonnissen in de zaak AR 56/11 - Ghis 77892 - H 58/15 van het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 26 augustus 2016 en 3 februari 2017.
De vonnissen van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het hof van 3 februari 2017 heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [verweerder] c.s. toegelicht door hun advocaat en mede door mr. C.J. Wiltink.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 1 juni 2018 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
13 juli 2018.