Belanghebbende bezat en verhuurde tijdelijk 62 anti-kraakwoningen en 30 leegstandwetwoningen. Het geschil betrof de vraag of deze woningen terecht in de verhuurderheffing zijn betrokken. Het gerechtshof had geoordeeld dat dit het geval was en dat deze woningen als voor verhuur bestemde woningen in de zin van artikel 2, letter a, van de Wet verhuurderheffing (Wvh) moeten worden beschouwd.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat het begrip 'voor verhuur bestemd' niet alleen ziet op daadwerkelijk verhuurde woningen, maar ook op woningen die op de peildatum leeg staan maar te huur worden aangeboden. Ook de bestemming voor afbraak ten behoeve van stedelijke herontwikkeling sluit niet uit dat een woning voor verhuur bestemd is. De Hoge Raad verwierp de klachten van belanghebbende en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.
De uitspraak benadrukt dat de wetgever bij de Wvh heeft gekozen voor eenvoud en uitvoerbaarheid, waarbij het gedrag of de doelstellingen van de verhuurder niet bepalend zijn voor de heffingsgrondslag. De Hoge Raad legde geen proceskostenveroordeling op.