Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 6 december 2016, waarin hoger beroep was behandeld over de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2006 en 2007.
De Hoge Raad ontving vijf cassatiemiddelen van belanghebbende en een verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Verder wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. De uitspraak werd op 2 februari 2018 in het openbaar gewezen door de raadsheren P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en E.F. Faase.