Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland betreffende aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2012 en 2013.
Belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht, maar na beoordeling door de griffier werd dit afgewezen wegens niet voldoen aan de criteria. Ondanks meerdere aangetekende brieven en een termijn van vier weken is het griffierecht niet betaald.
De Hoge Raad heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te verklaren waarom het griffierecht niet tijdig was voldaan, maar hier is geen gebruik van gemaakt. Daarom is het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor veroordeling in proceskosten en heeft het arrest in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2018.