Uitspraak
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
3.Uitgangspunten in cassatie
4.Beoordeling van het middel
5.Beslissing
2 februari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft de verdeling van de huwelijksgemeenschap tussen een man en een vrouw die in 2012 in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en in juni 2015 zijn gescheiden. De rechtbank Gelderland had bepaald dat de banksaldi op de peildatum gelijk verdeeld moesten worden en dat de vrouw aan de man een bedrag van €27.125 moest betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 november 2013. Dit bedrag was gerelateerd aan een som van €54.250 die de vrouw had ontvangen uit de nalatenschap van haar ouders, welke volgens de rechtbank tot de gemeenschap behoorde.
De vrouw stelde in hoger beroep onder meer dat zij een deel van dit bedrag had geschonken aan haar vier kinderen, wat volgens haar invloed moest hebben op de verdeling. Het hof Arnhem-Leeuwarden verwierp deze en andere grieven en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. De vrouw, inmiddels vertegenwoordigd door een bewindvoerster, stelde cassatie in tegen het arrest van het hof.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de subsidiaire stellingen van de vrouw niet had behandeld, terwijl de man op deze stellingen had gereageerd, waardoor het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd was. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. De kosten van het cassatiegeding werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.