Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 7 september 2017, nr. SGR 17/1548 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 24 mei 2017.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreffende verzet tegen een eerdere uitspraak. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende per aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Ondanks deze waarschuwing heeft belanghebbende het griffierecht niet voldaan.
Vervolgens heeft de griffier belanghebbende opnieuw aangeschreven met het verzoek om op te geven waarom het griffierecht niet was betaald. De door belanghebbende gegeven redenen werden niet als gegrond beoordeeld. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten en heeft het arrest in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2018. Dit arrest bevestigt het belang van het tijdig voldoen van griffierecht voor de ontvankelijkheid van een cassatieberoep.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.