ECLI:NL:HR:2018:1420

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 september 2018
Publicatiedatum
4 september 2018
Zaaknummer
17/04919
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van verdachte wegens niet-indienen middelen cassatie

De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 mei 2017. Echter zijn geen middelen van cassatie namens de verdachte ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman, zoals vereist volgens art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft dit oordeel gevolgd en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep. Dit betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk wordt behandeld vanwege het ontbreken van een geldig ingediend beroepschrift.

Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 4 september 2018.

Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen door een raadsman.

Uitspraak

4 september 2018
Strafkamer
nr. S 17/04919
SK
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 mei 2017, nummer 22/003111-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 september 2018.