Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
2 februari 2018.
Hoge Raad
Betrokkene verzocht cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin een voorlopige machtiging werd verleend voor opname in een psychiatrisch ziekenhuis. De mondelinge behandeling vond deels plaats zonder aanwezigheid van de advocaat van betrokkene, die wegens andere verplichtingen niet tijdig aanwezig kon zijn. De rechtbank besloot na overleg met betrokkene dat hij zichzelf adequaat kon verdedigen, mede omdat hij eerder advocaat was geweest en aantekeningen had gemaakt.
De Hoge Raad oordeelde dat het recht op rechtsbijstand, zoals verankerd in artikel 5 EVRM Pro en artikel 8 lid 3 Wet Pro Bopz, een fundamenteel recht is dat niet lichtvaardig kan worden opgegeven, zeker niet bij kwetsbare personen met een geestelijke stoornis. De rechtbank had onvoldoende gemotiveerd dat betrokkene zijn afstand van rechtsbijstand vrij en ondubbelzinnig had bepaald, noch had zij rekening gehouden met de invloed van zijn stoornis.
Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het recht op rechtsbijstand.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot voorlopige machtiging en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling met inachtneming van het recht op rechtsbijstand.