Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
6 februari 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond een cassatieberoep centraal tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam inzake een uitleveringsverzoek van Noorwegen. De zaak betrof de uitlevering van een persoon die werd verdacht van invoer van amfetamine, cocaïne en MDMA. De verzoekende Staat had nagelaten een lijst met verboden verdovende middelen te overleggen, zoals vereist onder artikel 12.2.c van het EUV.
De Hoge Raad oordeelde dat dit verzuim niet automatisch leidt tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering. Indien op toereikende gronden kan worden aangenomen dat de overgelegde strafbepaling de psychotrope stoffen bestrijkt waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, is de uitlevering toelaatbaar, ook als dit niet algemeen bekend is in Nederland.
Het cassatieberoep werd verworpen zonder nadere motivering, omdat het middel niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noopt. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het oordeel van de Rechtbank Amsterdam en werd de uitlevering toegestaan.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu, voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, op 6 februari 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de uitlevering naar Noorwegen.