Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
6 februari 2018.
Hoge Raad
In deze zaak is het cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 18 mei 2017, waarin hij werd veroordeeld voor poging tot doodslag door tijdens een ruzie een ander met een mes in het bovenlichaam te steken.
De verdediging heeft namens de verdachte een schriftuur ingediend, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 6 februari 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.