ECLI:NL:HR:2018:1539

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 september 2018
Publicatiedatum
10 september 2018
Zaaknummer
16/02519
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 lid 1 SrArt. 43a SrArt. 6 EVRMArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen gekwalificeerde diefstal met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde diefstal. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte vanuit Zeist naar een golfclub in Friesland reed en daar via braak een kluis meenam, in strijd met art. 311 lid 1 Sr Pro en art. 43a Sr.

Verdachte stelde dat het hof de verklaring van een medeverdachte onjuist had geïnterpreteerd en dat de strafverzwarende omstandigheid van art. 43a Sr niet uit het bewijsmateriaal bleek. De Hoge Raad oordeelde dat de vermeende onvolkomenheid in de weergave van de verklaring niet tot cassatie leidt, omdat het hof voldoende gemotiveerd had bewezen dat verdachte niet aanwezig was bij de inbraak.

Verder stelde de Hoge Raad vast dat de strafverzwarende omstandigheid niet uit het bewijsmateriaal bleek, maar dat verdachte geen belang had bij cassatie omdat hij eerder onherroepelijk was veroordeeld voor een soortgelijk feit. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden door vertraging in de cassatiefase, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met drie maanden en twee weken.

De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor de strafduur en wees het beroep voor het overige af, waarmee de veroordeling voor medeplegen van gekwalificeerde diefstal in stand bleef.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd met drie maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn, veroordeling voor medeplegen gekwalificeerde diefstal blijft in stand.

Uitspraak

11 september 2018
Strafkamer
nr. S 16/02519
SA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 4 maart 2016, nummer 21/002005-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, en D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1.
Het middel klaagt onder meer dat het Hof de voor het bewijs gebruikte verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gedenatureerd.
2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5, 6 en 11 tot en met 14 kan de klacht niet tot cassatie leiden.
2.3.
Het middel klaagt voorts dat de tenlastegelegde en bewezenverklaarde strafverzwarende omstandigheid van art. 43a Sr niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
2.4.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 16 en 17 kan ook deze klacht niet tot cassatie leiden.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier maanden.

4.Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze drie maanden en twee weken beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 september 2018.