Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beoordeling van de middelen voor het overige
5.Slotsom
6.Beslissing
11 september 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde diefstal. Het hof had bewezen verklaard dat verdachte vanuit Zeist naar een golfclub in Friesland reed en daar via braak een kluis meenam, in strijd met art. 311 lid 1 Sr Pro en art. 43a Sr.
Verdachte stelde dat het hof de verklaring van een medeverdachte onjuist had geïnterpreteerd en dat de strafverzwarende omstandigheid van art. 43a Sr niet uit het bewijsmateriaal bleek. De Hoge Raad oordeelde dat de vermeende onvolkomenheid in de weergave van de verklaring niet tot cassatie leidt, omdat het hof voldoende gemotiveerd had bewezen dat verdachte niet aanwezig was bij de inbraak.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat de strafverzwarende omstandigheid niet uit het bewijsmateriaal bleek, maar dat verdachte geen belang had bij cassatie omdat hij eerder onherroepelijk was veroordeeld voor een soortgelijk feit. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden door vertraging in de cassatiefase, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met drie maanden en twee weken.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor de strafduur en wees het beroep voor het overige af, waarmee de veroordeling voor medeplegen van gekwalificeerde diefstal in stand bleef.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd met drie maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn, veroordeling voor medeplegen gekwalificeerde diefstal blijft in stand.