ECLI:NL:HR:2018:1655

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 september 2018
Publicatiedatum
13 september 2018
Zaaknummer
18/01029
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting gemeente Den Haag

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 30 januari 2018, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag behandelde. De zaak betrof een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Den Haag.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag diende een verweerschrift in. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van belanghebbende onvoldoende waren om tot cassatie te leiden. Dit oordeel werd genomen op grond van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, waarbij geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Daarnaast achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren J. Wortel (voorzitter), A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, op 14 september 2018.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd.

Uitspraak

14 september 2018
Nr. 18/01029
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 30 januari 2018, nr. BK-17/00543, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 16/8776) betreffende een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018.