Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Amsterdamvan 22 maart 2018, nr. AMS 16/5683 V, betreffende een besluit op grond van de Invorderingswet 1990 en de weigering een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Hoge Raad
Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam inzake een besluit op grond van de Invorderingswet 1990 en de weigering van een proceskostenvergoeding.
Het beroepschrift voldeed niet aan de vereisten van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, omdat het niet de gronden van het beroep bevatte. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen zes weken te herstellen, maar belanghebbende heeft hier geen gebruik van gemaakt.
Daarom heeft de Hoge Raad met toepassing van artikel 6:6 Awb Pro het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Tevens zijn er geen gronden voor een proceskostenveroordeling aanwezig geacht. Het arrest is uitgesproken op 14 september 2018.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden in het beroepschrift en het niet herstellen van het verzuim.