Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 1 juni 2018, nr. 17/05751, ECLI:NL:HR:2018:805.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 14 september 2018 het verzoek tot herziening van het arrest van 1 juni 2018 beoordeeld. Het verzoek was ingediend door belanghebbende en betrof de toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat het klaarblijkelijk niet tot herziening van het eerdere arrest kan leiden. Dit omdat het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden bevat die voldoen aan de vereisten van artikel 8:119, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Daarom heeft de Hoge Raad, na overleg met de Procureur-Generaal, het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.