ECLI:NL:HR:2018:1671

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 september 2018
Publicatiedatum
13 september 2018
Zaaknummer
18/02574
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart verzoek tot herziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken nieuwe feiten

De Hoge Raad heeft op 14 september 2018 het verzoek tot herziening van het arrest van 1 juni 2018 beoordeeld. Het verzoek was ingediend door belanghebbende en betrof de toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).

De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat het klaarblijkelijk niet tot herziening van het eerdere arrest kan leiden. Dit omdat het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden bevat die voldoen aan de vereisten van artikel 8:119, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Daarom heeft de Hoge Raad, na overleg met de Procureur-Generaal, het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

14 september 2018
Nr. 18/02574
Arrest
gewezen op het verzoek van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 1 juni 2018, nr. 17/05751, ECLI:NL:HR:2018:805.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening

De Hoge Raad is van oordeel dat het ingediende verzoek geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat het klaarblijkelijk niet tot herziening van voormeld arrest en derhalve niet tot cassatie kan leiden, aangezien het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, lid 1, van de Awb behelst.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur‑Generaal – het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

2.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018.