ECLI:NL:HR:2018:1697

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2018
Publicatiedatum
20 september 2018
Zaaknummer
18/01008
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak rechtbank over niet-ontvankelijkheid beroep WOZ-beschikking door dubbele registratie

Belanghebbende had beroep ingesteld tegen een WOZ-beschikking voor een onroerende zaak. De rechtbank registreerde het beroep abusievelijk tweemaal en stelde tweemaal een termijn voor het indienen van beroepsgronden. Belanghebbende diende de beroepsgronden binnen vier weken na de tweede brief in, maar na de eerste termijn. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de eerste termijn en verklaarde het verzet ongegrond.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat belanghebbende de beroepsgronden tijdig heeft ingediend binnen de tweede termijn die door de rechtbank zelf was gesteld. Het beroep betreft dezelfde zaak en de fout lag bij de rechtbank. Daarom kan belanghebbende niet worden tegengeworpen dat hij niet binnen de eerste termijn heeft gereageerd.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het verzet gegrond. De rechtbank moet het onderzoek voortzetten in de stand waarin het zich bevond. Tevens veroordeelt de Hoge Raad het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht in de proceskosten van het cassatieberoep en de heffingsambtenaar in de kosten van het verzet.

Uitkomst: Het beroep is terecht tijdig ingediend binnen de tweede termijn en de rechtbank uitspraak wordt vernietigd; het verzet wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

21 september 2018
nr. 18/01008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Midden-Nederlandvan 25 januari 2018, nr. UTR 17/1437-V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2016 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de WOZ‑beschikking). De uitspraak van de Rechtbank op het verzet is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
De Rechtbank heeft het beroepschrift van belanghebbende met betrekking tot de WOZ-beschikking abusievelijk tweemaal geregistreerd, te weten eerst onder nummer UTR 17/1437 en vervolgens onder nummer UTR 17/1446. De Rechtbank heeft in de zaak met nummer UTR 17/1437 bij aangetekende brief van 5 april 2017 belanghebbende verzocht om binnen vier weken na verzending van die brief de beroepsgronden in te dienen. Vervolgens heeft de Rechtbank in de zaak met nummer UTR 17/1446 bij aangetekende brief van 11 april 2017 belanghebbende verzocht om binnen vier weken na verzending van die brief de beroepsgronden in te dienen. De termijn voor het indienen van de beroepsgronden liep af op 3 mei respectievelijk 9 mei 2017.
2.1.2.
Belanghebbende heeft op 7 mei 2017 de gronden van het beroep ingediend. In die brief verwijst belanghebbende naar beide zaaknummers.
2.1.3.
Bij brief van 8 mei 2017 heeft de Rechtbank belanghebbende meegedeeld dat het beroepschrift ten onrechte twee keer is geregistreerd en dat de zaak met nummer UTR 17/1446 komt te vervallen.
2.1.4.
De Rechtbank is ervan uitgegaan dat de beroepsgronden uiterlijk op 3 mei 2017 ingediend hadden moeten worden, hetgeen belanghebbende niet heeft gedaan, en heeft het beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Het daartegen gerichte verzet is ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat belanghebbende, nu zijn brief van 7 mei 2017 op beide zaaknummers zag, veiligheidshalve van de termijn van 3 mei 2017 had moeten uitgaan als hij in verwarring was, of had moeten informeren bij de Rechtbank. Als zou worden uitgegaan van de termijn van 9 mei 2017, zou belanghebbende naar het oordeel van de Rechtbank ten onrechte profiteren van een door de Rechtbank gemaakte vergissing en in feite een langere termijn voor het indienen van de beroepsgronden krijgen dan de gebruikelijke termijn van vier weken.
2.3.
Tegen het in 2.2 vermelde oordeel richt zich onder meer de klacht met de stelling dat het beroep tijdig is aangevuld omdat de zaken met de nummers UTR 17/1437 en UTR 17/1446 dezelfde zaak betreffen en aan belanghebbende een fout van de Rechtbank niet kan worden tegengeworpen.
2.4.
Vaststaat dat door een fout van de Rechtbank het beroepschrift tweemaal is geregistreerd en dat aan belanghebbende tweemaal is verzocht het beroep aan te vullen binnen een termijn van vier weken: bij brieven van 5 april 2017 en 11 april 2017. Belanghebbende kon de brief van 11 april 2017, ontvangen binnen de in de brief van 5 april 2017 gestelde termijn, aldus opvatten dat een nieuwe termijn voor de aanvulling van het beroep was gaan lopen. Aangezien de aanvulling is ontvangen binnen vier weken na de brief van 11 april 2017, heeft de Rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat het verzet ten onrechte ongegrond is verklaard. Voor zover de klachten daartegen gericht zijn, slagen zij.
2.5.
Uit het voorgaande volgt dat de uitspraak van de Rechtbank op het verzet niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan het verzet afdoen.

3.Proceskosten

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het verzet bij de Rechtbank.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op verzet,
verklaart het verzet tegen de uitspraak van de Rechtbank van 25 mei 2017 gegrond,
verstaat dat die uitspraak vervalt en dat de Rechtbank het onderzoek moet voortzetten in de stand waarin het zich bevond,
gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht aan belanghebbende vergoedt het ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht ten bedrage van € 126,
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Utrecht in de kosten van het verzet bij de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 501 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2018.