Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarin het hoger beroep tegen een informatiebeschikking van de Belastingdienst was behandeld. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, waarna belanghebbende en de Staatssecretaris nog conclusies van repliek en dupliek indienden.
De Hoge Raad oordeelde dat de voorgestelde middelen niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Verder wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af, omdat daarvoor geen gronden aanwezig waren. Het arrest werd door de vice-president en twee raadsheren gewezen en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2018.