ECLI:NL:HR:2018:1716

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2018
Publicatiedatum
20 september 2018
Zaaknummer
17/04440
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieInvorderingswet 1990
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake aansprakelijkstelling loonheffingen en omzetbelasting

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 10 augustus 2017, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende behandelde tegen een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990. Deze beschikking betrof de nageheven loonheffingen over de periode september 2007 tot en met juni 2008 van twee vennootschappen en de nageheven omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2008 van een derde vennootschap.

De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de ingebrachte klachten oordeelde de Hoge Raad dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden. Er was geen aanleiding om rechtsvragen te beantwoorden die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad zag geen gronden voor het opleggen van proceskosten aan partijen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee bleef het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in stand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand.

Uitspraak

21 september 2018
Nr. 17/04440
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 10 augustus 2017, nr. 15/00857, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/3091) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 voor de van [A] B.V. en [B] B.V. nageheven loonheffingen over de tijdvakken september 2007 tot en met juni 2008 en de van [C] B.V. nageheven omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2008.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2018.