ECLI:NL:HR:2018:1717

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2018
Publicatiedatum
20 september 2018
Zaaknummer
17/04309
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens niet-betaling griffierecht in vennootschapsbelastingzaak

Belanghebbende, een B.V., had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreffende een aanslag vennootschapsbelasting, een boetebeschikking en heffingsrente voor het jaar 2013.

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Deze betaling is niet verricht. Vervolgens is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na een brief van 16 november 2017 te verklaren waarom het griffierecht niet tijdig was voldaan, maar hier is geen gebruik van gemaakt.

De brief van 15 december 2017, ingekomen bij de Hoge Raad, werd als te laat beschouwd. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb Pro werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten.

Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2018.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

21 september 2018
Nr. 17/04309
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 25 juli 2017, nr. SGR 17/473 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 18 oktober 2017, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL op 20 oktober 2017 op het door belanghebbende opgegeven adres in ontvangst is genomen, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 16 november 2017, in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na deze datum mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Die termijn eindigde op 14 december 2017. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid niet tijdig gebruik gemaakt. De op 15 december 2017 bij de Hoge Raad ingekomen brief wordt als te laat ingekomen buiten beschouwing gelaten.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2018.