Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
25 september 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 25 november 2016, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van de verkoop van MDMA, het aanwezig hebben van MDMA en cocaïne, en gewoontewitwassen. De verdediging heeft verschillende middelen van cassatie voorgesteld, waaronder klachten over de bewijsvoering met betrekking tot de Opiumwetdelicten en gewoontewitwassen, alsmede een klacht over grondslagverlating bij het gewoontewitwassen.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de raadsman van de verdachte heeft hier schriftelijk op gereageerd. De Hoge Raad oordeelt dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat de middelen geen rechtsvragen oproepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, en het beroep is verworpen. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Den Haag in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.