Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2 De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
25 september 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een vonnis van de Rechtbank Den Haag waarin de aanvrager was veroordeeld voor poging tot doodslag en meermalen gepleegde mishandeling.
De aanvrager stelde dat er camerabeelden bestaan die hem zouden kunnen vrijpleiten en dat twee personen zijn verklaringen als getuige zouden kunnen bevestigen. Deze stellingen werden echter niet onderbouwd met concrete bescheiden of nieuwe feiten die tijdens het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren.
Volgens artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro kan herziening slechts worden toegestaan indien er een nieuw gegeven is dat het ernstige vermoeden wekt dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou hebben geleid. De enkele mogelijkheid van het bestaan van bewijs dat vrijpleit, voldoet niet aan deze eis.
De Hoge Raad oordeelde daarom dat de aanvraag niet-ontvankelijk is en wees de herzieningsaanvraag af. Dit arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 25 september 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing met nieuwe feiten.