Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het eerste middel
5.Slotsom
6.Beslissing
25 september 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de waardebepaling van verbeurdverklaarde voertuigen centraal bij het vaststellen van de betalingsverplichting voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Hof had de waarde van de auto's gebaseerd op de verkoopopbrengst bij latere justitiële verkoop en deze in mindering gebracht op het ontnemingsbedrag.
De verdediging stelde dat de aanschafprijs van de voertuigen in mindering gebracht had moeten worden, omdat het waardeverlies binnen korte tijd onverklaarbaar was en de verkoopprijzen niet marktconform waren. De Hoge Raad oordeelde dat de waarde van verbeurdverklaarde voorwerpen niet aan wettige bewijsmiddelen hoeft te worden ontleend, maar wel dat de waarde die in mindering wordt gebracht op de betalingsverplichting de door de rechter te schatten waarde ten tijde van inbeslagneming moet zijn.
De Hoge Raad verwierp het oordeel van het Hof om de verkoopopbrengst als uitgangspunt te nemen en stelde dat de waardebepaling een feitelijke beoordeling is die begrijpelijk gemotiveerd moet worden. Het oordeel van het Hof was onvoldoende gemotiveerd en daarom werd de uitspraak vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Hof voor hernieuwde beoordeling.
De zaak betreft medeplegen van gewoontewitwassen en de ontnemingsmaatregel is reparatoir van aard, gericht op het terugbrengen van de veroordeelde in de situatie zonder het strafbare feit. De Hoge Raad benadrukte dat de waarde van verbeurdverklaarde voorwerpen in mindering moet worden gebracht op de betalingsverplichting en niet op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de waardebepaling van verbeurdverklaarde voertuigen.