Belanghebbende betaalde in 2011 bpm over een gebruikte auto uit Duitsland en vroeg later teruggaaf op grond van strijdigheid met Unierecht. Na terugbetaling van een deel van de bpm verzocht belanghebbende om vergoeding van Irimie-rente over de terugbetaalde bedragen. Het hof oordeelde dat de Inspecteur rente moest vergoeden, maar de Hoge Raad vernietigt dit oordeel omdat sinds 1 januari 2015 artikel 28c van de Invorderingswet 1990 de bevoegdheid van de rechter tot het gelasten van rentevergoeding aan de Inspecteur heeft beperkt.
De Hoge Raad overweegt dat de regeling voor vergoeding van Irimie-rente een bijzondere procedure kent waarbij een verzoek binnen zes weken na de beschikking van de Inspecteur moet worden gedaan. Deze termijn en procedure zijn niet in strijd met het Unierechtelijke gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel. De belastingdienst moet belastingplichtigen informeren over deze rechten en termijnen.
Voor beschikkingen van vóór 2015 geldt een overgangsregeling waarbij het verzoek uiterlijk zes weken na 1 januari 2015 moest worden gedaan. Belanghebbende heeft tijdig een verzoek ingediend, zodat de ontvanger nog op dat verzoek moet beslissen. De Hoge Raad verklaart het incidentele beroep ongegrond, het principale beroep gegrond en vernietigt het hofarrest voor zover het de Inspecteur tot rentevergoeding verplichtte.