Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 29 mei 2018, nr. 18/00023, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van dat Hof van 6 maart 2018.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende verzet tegen een eerdere uitspraak. De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld op ontvankelijkheid en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Hiermee wordt de procedure beëindigd zonder inhoudelijke behandeling van de klachten.
De uitspraak is op 28 september 2018 in het openbaar gedaan door raadsheer Wortel als voorzitter, samen met raadsheren Beukers-van Dooren en Cools, in aanwezigheid van de waarnemend griffier. De beslissing bevestigt het belang van ontvankelijkheidscriteria in cassatieprocedures binnen het bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.