Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 13 oktober 2017, nr. BRE 16/8539, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank van 20 februari 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende, [X] B.V., beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 oktober 2017, betreffende verzet tegen een eerdere uitspraak van 20 februari 2017. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit is omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal, verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, samen met raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in aanwezigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en is openbaar uitgesproken op 28 september 2018.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.