Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
2 oktober 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het vervoer van minderjarige jongens naar een bordeel in Duitsland, het betalen van een prostituee en het toekijken door verdachte, kwalificeert als het opzettelijk bevorderen van ontucht door minderjarigen zoals bedoeld in art. 250 Sr Pro.
De feiten waren dat verdachte op 23 maart 2014 twee minderjarige jongens, wier leeftijd hij kende, met zijn auto naar een bordeel in Duisburg had gebracht. Daar betaalde hij een prostituee met wie de minderjarigen seksuele handelingen verrichtten terwijl verdachte toekeek. De minderjarigen en verdachte bevestigden deze gang van zaken in hun verklaringen.
Het hof oordeelde dat het vervoer en de betaling, in combinatie met het toekijken, als bevorderen van ontucht kan worden beschouwd. Het hof verwierp het verweer dat alleen het initiatief van de minderjarigen uitging en dat bevorderen alleen zou gelden bij aanzetten of overreding.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg van het begrip 'bevorderen' in art. 250 Sr Pro, verwijzend naar eerdere jurisprudentie en de wetsgeschiedenis. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor het opzettelijk bevorderen van ontucht door minderjarigen.