Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 27 maart 2018, nr. SGR 17/6661 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 16 november 2017.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreffende een verzetprocedure. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brieven gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en heeft meerdere termijnen gesteld voor betaling.
Ondanks deze aanmaningen heeft belanghebbende het griffierecht niet voldaan en heeft ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verklaring te geven voor het niet tijdig betalen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2018.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.