Uitspraak
[X]te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Nederlandvan 15 maart 2018, nr. LEE 16/4753 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 20 juli 2017.
Hoge Raad
Belanghebbende, [Z], stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 15 maart 2018, waarin het verzet van belanghebbende tegen een eerdere uitspraak van 20 juli 2017 werd behandeld.
De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 5 oktober 2018 in het openbaar uitgesproken door raadsheer J. Wortel als voorzitter, met de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en ongeschiktheid van klachten.