Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Nederlandvan 17 mei 2018, nr. LEE 17/3978 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 18 januari 2018.
Hoge Raad
In deze bestuursrechtelijke zaak betreffende belastingrecht heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende beoordeeld. Het cassatieberoep betrof een verzet tegen eerdere uitspraken van de Rechtbank Noord-Nederland. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten evident niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit betekent dat de Hoge Raad niet inhoudelijk op de klachten is ingegaan, maar het beroep heeft afgewezen vanwege procedurele gronden.
Het arrest is op 5 oktober 2018 uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren. Hiermee is het cassatieproces in deze zaak definitief beëindigd zonder inhoudelijke beoordeling van de geschilpunten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard vanwege onvoldoende belang of niet-geschiktheid van de klachten.