Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
9 oktober 2018.
Hoge Raad
Verdachte is in hoger beroep verstek veroordeeld voor schuldheling van een motorvoertuig. In cassatie klaagt verdachte dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht of de dagvaarding in eerste aanleg en in hoger beroep rechtsgeldig zijn betekend, zoals vereist in art. 348 Sv Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat de klacht onvoldoende duidelijkheid verschaft over waarom het oordeel van het hof onjuist of onbegrijpelijk zou zijn. Hierdoor voldoet de klacht niet aan de eisen die aan een middel van cassatie worden gesteld en blijft deze onbesproken.
Het tweede middel wordt eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat het geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 juni 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing van de klacht over de betekening van de dagvaarding.