Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring, bewijsvoering en strafoplegging
- zakelijk weergegeven - van [betrokkene 1] :
3.Juridisch kader
4.Beoordeling van het middel
5.Beslissing
9 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die gedurende meerdere jaren de pleegouders van zijn zoon heeft belaagd door herhaaldelijk telefonisch contact te zoeken, e-mails en twitterberichten te sturen en zich zonder toestemming in de nabijheid van hun woning te bevinden. Het hof heeft de gedragingen bewezen verklaard en de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, waaronder een verbod om berichten met belastende informatie over de pleegouders en hun gezin te verspreiden.
De verdachte stelde zich in cassatie op het standpunt dat deze bijzondere gedragsvoorwaarde onrechtmatig is omdat zij het recht op vrijheid van meningsuiting uit art. 10 EVRM Pro beperkt. De Hoge Raad herhaalt de eerdere jurisprudentie dat dergelijke voorwaarden die het gedrag van de veroordeelde betreffen, toelaatbaar zijn indien zij gericht zijn op het bevorderen van maatschappelijk betamelijk gedrag en bescherming van de rechten van anderen.
De Hoge Raad oordeelt dat de gedragsvoorwaarde in deze zaak een voldoende toegankelijke en voorzienbare grondslag biedt en proportioneel en subsidiariteitseisen respecteert. De beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting is beperkt tot het voorkomen van negatieve berichten over de pleegouders in hun hoedanigheid als pleegouders, ook als die berichten niet strafbaar zijn. Het beroep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toelaatbaarheid van de bijzondere gedragsvoorwaarde in de proeftijd.