Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
9 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een leraar die werd veroordeeld wegens ontuchtige handelingen, waaronder het onverwacht in de nek wrijven en het zoenen op de mond van een leerlinge. Het hof Arnhem-Leeuwarden had hem hiervoor veroordeeld op grond van artikel 246 Sr Pro.
De verdachte stelde in cassatie onder meer vragen over het bewijs, met name de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster en de toepassing van het unus testis-criterium volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro. De advocaat-generaal adviseerde het beroep te verwerpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd derhalve verworpen.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president van Schendel en raadsheren Buruma en van Strien op 9 oktober 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen, waardoor de veroordeling wegens ontuchtige handelingen gehandhaafd blijft.