Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Den Haag,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Uitgangspunten in cassatie
- ii) Hetgeen het ANV heeft verkregen uit de nalatenschap van [betrokkene 1] staat bekend als het ‘[A]-fonds’ of het ‘[A] Fonds’. Na het overlijden van [betrokkene 1] in 1943 heeft het ANV het [A]-fonds beheerd overeenkomstig de richtlijnen in het testament van [betrokkene 1]. Het ANV beheert daarnaast nog enkele andere fondsen.
- iii) In 1993 heeft het ANV de Stichting opgericht om het beheer over te nemen van het [A]-fonds en enkele andere fondsen. Uit de statuten van de Stichting volgt dat het bestuur van de Stichting wordt gevormd door de leden van het dagelijks bestuur van het ANV. De Stichting had volgens art. 3 van Pro de statuten uit 1993 tot doel:
geuit op het uitgavenbeleid van de Stichting, onvoldoende om hem als belanghebbende in de zin van art. 2:298 BW Pro of art. 2:21 BW Pro aan te merken. Ook in zoverre is [verzoeker] dus geen belanghebbende. Daarbij acht het hof mede van belang dat de in deze wetsbepalingen genoemde voorzieningen buitengewoon zwaar ingrijpen in (de governance van) de Stichting. Om dergelijke verzoeken te kunnen instellen, is een nauwere betrokkenheid bij de Stichting noodzakelijk dan de betrokkenheid die [verzoeker] bij het bestedingsbeleid van de Stichting heeft getoond. Dit geldt te meer daar (a) het ANV op grond van (i) de statutaire inrichting van zowel de Stichting als het ANV zelf en (ii) de verwevenheid van het vermogen van het ANV en de Stichting, een nauwere betrokkenheid dan [verzoeker] heeft bij het bestedingsbeleid van de Stichting en (b) [verzoeker] binnen het ANV onvoldoende gehoor heeft gevonden voor zijn bezwaren daartegen. Daardoor is onvoldoende gebleken van een specifiek en concreet belang van [verzoeker] als vereist voor een beroep op het bepaalde in de art. 2:298, 2:299 en 2:21 BW. Evenmin is gebleken van enige (andere) verantwoordelijkheid van [verzoeker] waaruit een belang als bedoeld in die wetsbepalingen bij de Stichting kan worden afgeleid. (rov. 2.11)
4.Beoordeling van het middel in het principale beroep
Zonder nadere motivering valt immers niet in te zien dat een en ander onvoldoende is om [verzoeker] als belanghebbende aan te merken. Daarbij is van belang dat aan de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat [verzoeker] geen bestuurder van de Stichting is (geweest) in dit verband geen beslissende betekenis toekomt.
Deze omstandigheid dient te worden betrokken bij de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van [verzoeker] , maar speelt geen rol bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de verzoeker in verzoeken als de onderhavige.
5.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
Blijkens het voorgaande is die voorwaarde vervuld.
6.Beslissing
12 oktober 2018.