Uitspraak
voorheen Procede Vastgoed B.V.,
gevestigd te Enschede,
thans mr. J. de Jong van Lier,
gevestigd te [plaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
12 oktober 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond een geschil centraal over de omvang en kwaliteit van de overeengekomen werkzaamheden in een aanneming van werk. Procede, voorheen Procede Vastgoed B.V., stelde zich op het standpunt dat het opschortingsrecht van de opdrachtgever in dit geval gerechtvaardigd was. De zaak werd in meerdere instanties behandeld, waarbij de rechtbank Almelo en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden diverse uitspraken deden.
Procede stelde beroep in cassatie in tegen de arresten van het gerechtshof, waarbij het zich verzette tegen de interpretatie van de overeengekomen werkzaamheden en het opschortingsrecht. De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten voor het gedingverloop en oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie. Volgens art. 81 lid 1 RO Pro is geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt Procede tot betaling van de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak bevestigt daarmee de eerdere rechtspraak over de contractuele verplichtingen en het opschortingsrecht in het kader van aanneming van werk.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Procede wordt verworpen en de eerdere arresten worden bevestigd.