Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
13 februari 2018.
Hoge Raad
Verdachte, geboren in 1967, stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 september 2016, waarin hij werd veroordeeld voor bedreiging met zware mishandeling. De advocaat van verdachte diende middelen van cassatie in, die door de Advocaat-Generaal werden verworpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was, omdat de klachten over de motivering van de bewezenverklaring en het verzuim te responderen op de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen onvoldoende waren. Er werden geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aangereikt.
Het arrest werd op 13 februari 2018 uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad, waarbij de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage het arrest wezen. Het beroep van verdachte werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Den Haag blijft in stand.