Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
16 oktober 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de verdachte zich schuldig had gemaakt aan medeplegen van mensenhandel door misbruik te maken van de kwetsbare positie van een Chinese kok die in Nederland werkte. Het hof had de verdachte vrijgesproken omdat het oogmerk van uitbuiting niet was bewezen. De verdachte had de kok tewerkgesteld onder omstandigheden die weliswaar misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht inhielden, zoals het onthouden van de feitelijke beschikkingsmacht over zijn bankrekening en het betalen van slechts een klein zakgeld, maar dit was onvoldoende voor het bewijs van uitbuiting.
Het hof had uitgebreid de omstandigheden onderzocht, waaronder de duur en aard van de tewerkstelling, de beperkingen voor de werknemer, en het economisch voordeel voor de werkgever. Ook werd meegewogen dat de kok legaal in Nederland verbleef, adequaat gehuisvest was en niet in zijn bewegingsvrijheid werd belemmerd. De mishandeling en het innemen van paspoort en verblijfsvergunning werden niet als uitbuitingsmiddelen aangemerkt, maar als maatregelen om te voorkomen dat de werknemer zou vluchten.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie. De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie over de uitleg van het bestanddeel '(oogmerk van) uitbuiting' en benadrukte dat dit begrip sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Het enkele feit dat de werknemer zijn salaris niet volledig kon beschikken en dat er sprake was van misbruik van overwicht, is niet voldoende om uitbuiting aan te nemen. Daarmee is de vrijspraak van de verdachte terecht.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak wegens ontbreken van het oogmerk van uitbuiting bij medeplegen mensenhandel.