Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
13 februari 2018.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verblijfssituatie van de verdachte na een ongewenstverklaring centraal. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden. Het cassatieberoep richtte zich tegen deze strafoplegging. De Advocaat-Generaal adviseerde tot vernietiging van de strafoplegging en vermindering van de straf, terwijl het beroep verder werd verworpen.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel van cassatie niet tot cassatie kon leiden, omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan werd de opgelegde gevangenisstraf verminderd van vijf maanden naar vier maanden en twee weken. De overige onderdelen van het beroep werden verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur en sprak dit arrest uit op 13 februari 2018.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van vijf maanden naar vier maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.