Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
16 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 januari 2017. De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal met bedreiging met geweld, zoals bedoeld in artikel 312, tweede lid, onderdeel 2, van het Wetboek van Strafrecht.
In cassatie werd onder meer betoogd dat het hof op ontoelaatbare wijze vooruit was gelopen op de inhoud van een verklaring van een medeverdachte die als getuige zou worden gehoord. Dit verzoek tot getuigenverhoor was bij het hof afgewezen, terwijl de verklaring van die getuige bij de politie was afgelegd maar niet als bewijs was gebruikt.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, en uitgesproken op 16 oktober 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen diefstal met bedreiging met geweld.