Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
30 oktober 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit medeplegen mensenhandel.
Het middel in cassatie klaagde dat de bestreden uitspraak niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevatte waarop de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel was gebaseerd. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken ontbrak een aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, en het hof had bevestigd dat zo'n aanvulling niet was opgemaakt.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van art. 511e en 511g Sv, in samenhang met art. 359, derde lid, Sv, de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden met weergave van de inhoud daarvan, inclusief de feiten en omstandigheden die de schatting rechtvaardigen. De bestreden uitspraak voldeed niet aan dit vereiste.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde berechting en afdoening. De uitspraak werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 30 oktober 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Gerechtshof Amsterdam en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens ontbreken van inhoud bewijsmiddelen bij schatting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel.