Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
6 november 2018.
Hoge Raad
Verdachte werd verdacht van poging tot woninginbraak in Hilversum waarbij hij samen met anderen probeerde in te breken via een achtertuin. De politie had een peilbaken op zijn auto geplaatst gedurende vijf dagen met toestemming van de officier van justitie op basis van artikel 3 van Pro de Politiewet 2012. De verdediging stelde dat dit peilbaken een stelselmatige observatie vormde waarvoor een machtiging op grond van artikel 126g Sv vereist was, en dat het ontbreken daarvan een vormverzuim opleverde dat bewijsuitsluiting rechtvaardigde.
Het hof oordeelde echter dat de observatie niet stelselmatig was omdat het peilbaken slechts kortstondig werd gebruikt, alleen de auto buiten de woonplaats werd gevolgd binnen een geofence passend bij de modus operandi van verdachte, en dat daardoor geen min of meer compleet beeld van het privéleven van verdachte werd verkregen. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer werd als gering beoordeeld en de algemene taakomschrijving van de politie bood voldoende grondslag.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere jurisprudentie over de criteria voor stelselmatige observatie. Het beroep in cassatie wordt verworpen. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand dat de plaatsing van het peilbaken rechtmatig achtte en geen bewijsuitsluiting toepaste.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het rechtmatig gebruik van het peilbaken en de veroordeling voor poging tot woninginbraak.