Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 22 september 2017, nr. 17/02674, ECLI:NL:HR:2017:2435.
Hoge Raad
Belanghebbende diende een verzoek tot herziening in bij de Hoge Raad. Ter zake van het verschuldigde griffierecht deed belanghebbende een beroep op betalingsonmacht. De griffier stelde belanghebbende meerdere malen in de gelegenheid om een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen in te dienen en het griffierecht te voldoen.
Ondanks aangetekende brieven en herinneringen, inclusief een termijn van vier weken voor betaling, werd het griffierecht niet voldaan. Belanghebbende maakte geen gebruik van de geboden mogelijkheden en gaf geen geldige reden voor de termijnoverschrijding.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaarde de Hoge Raad het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.