ECLI:NL:HR:2018:2083

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 november 2018
Publicatiedatum
8 november 2018
Zaaknummer
18/00345
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart verzoek tot herziening niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht

Belanghebbende diende een verzoek tot herziening in bij de Hoge Raad, maar maakte een beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht. De griffier stelde belanghebbende meerdere keren in de gelegenheid om een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen in te dienen en het griffierecht te betalen. Ondanks ontvangstbevestiging van de aanmaningen, werd het griffierecht niet voldaan.

De griffier wees het beroep op betalingsonmacht af en stelde belanghebbende in kennis dat bij niet-tijdige betaling het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Ook werd meegedeeld dat bij meerdere verzoeken slechts eenmaal griffierecht verschuldigd was, en dat niet-betaling van beide verzoeken tot niet-ontvankelijkheid zou leiden.

Belanghebbende reageerde niet adequaat op deze aanmaningen. De Hoge Raad oordeelde dat de redenen voor de termijnoverschrijding onvoldoende waren om het verzuim te rechtvaardigen. Daarom werd het verzoek tot herziening op grond van de Awb niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten en sprak het arrest uit in aanwezigheid van de voorzitter en raadsheren.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

9 november 2018
Nr. 18/00345
Arrest
gewezen op het verzoek van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 22 september 2017, nr. 17/02673, ECLI:NL:HR:2017:2433.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening

Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 16 maart 2018 in de gelegenheid gesteld de daarbij gevoegde verklaring omtrent afwezigheid van vermogen binnen twee weken na dagtekening van die brief, volledig ingevuld en ondertekend aan de Hoge Raad terug te zenden. Volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is die brief afgehaald op de afhaallocatie. Belanghebbende heeft van die geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 3 april 2018 heeft de griffier van de Hoge Raad het beroep op betalingsonmacht afgewezen. Tevens is in deze brief meegedeeld dat bij niet tijdige betaling van het griffierecht het verzoek tot herziening niet‑ontvankelijk kan worden verklaard. Aanvullend daarop heeft de griffier van de Hoge Raad bij brief van 13 april 2018 aan belanghebbende meegedeeld dat gelet op de samenhang met een tweede door belanghebbende bij de Hoge Raad ingediend herzieningsverzoek, geregistreerd onder nummer 18/00344, hij voor de behandeling van beide zaken slechts eenmaal een bedrag van € 126 aan griffierecht verschuldigd is dat zal worden geheven in de zaak met nummer 18/00344, en dat bij niet (tijdige) betaling beide verzoeken niet‑ontvankelijk worden verklaard.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 17 april 2018, met (kenmerk-)nummer 18/00344, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht ter zake van het verzoek tot herziening en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 22 mei 2018 in de gelegenheid gesteld de redenen voor de termijnoverschrijding mee te delen. Hetgeen belanghebbende in zijn brief van 6 juni 2018 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het verzoek tot herziening moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2018.