ECLI:NL:HR:2018:2085

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 november 2018
Publicatiedatum
8 november 2018
Zaaknummer
18/00502
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie tegen naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting

Belanghebbende was in hoger beroep gegaan tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland inzake het door hem betaalde bedrag aan motorrijtuigenbelasting over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 22 februari 2016 en een opgelegde naheffingsaanslag over het tijdvak 23 februari 2016 tot en met 22 mei 2016. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 30 januari 2018 uitspraak gedaan in deze zaak.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad tegen deze uitspraak en voerde meerdere klachten aan. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in en belanghebbende een conclusie van repliek. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie konden leiden.

Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, was geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en sprak het arrest uit op 9 november 2018, gewezen door vice-president Koopman en raadsheren van Kalmthout en van Hilten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

9 november 2018
Nr. 18/00502
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 30 januari 2018, nr. 17/00371, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 16/3654) betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan motorrijtuigenbelasting over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 22 februari 2016 en de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting over het tijdvak 23 februari 2016 tot en met 22 mei 2016.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2018.