Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en beslissing op een gevoerd verweer
3.Juridisch kader
4.Beoordeling van het middel
5.Beslissing
13 november 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een nagebootst pistool dat sterk lijkt op een echt vuurwapen, maar geen CE-markering draagt, kan worden aangemerkt als speelgoed in de zin van de Europese Speelgoedrichtlijn en daarmee buiten de reikwijdte van de Wet wapens en munitie valt.
De verdachte werd veroordeeld omdat hij op 2 maart 2015 in Bergen op Zoom een nagebootst pistool bij zich had dat qua vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een Beretta model 92. De verdediging voerde aan dat het om een speelgoedpistool ging dat onder de Speelgoedrichtlijn valt, maar het hof verwierp dit verweer omdat het pistool geen CE-markering droeg, wat volgens het hof vereist is om als speelgoed te worden aangemerkt.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte stelde dat een CE-markering vereist is om een voorwerp als speelgoed aan te merken, aangezien de richtlijn ook toestaat dat de markering op een etiket of verpakking kan zijn aangebracht. Desondanks werd het cassatieberoep verworpen omdat het pistool niet voldeed aan de voorwaarden van de Speelgoedrichtlijn, met name omdat het niet was aangetoond dat het voorwerp bestemd was voor kinderen jonger dan 14 jaar. Het hof had terecht geoordeeld dat het pistool een imitatiewapen was dat geschikt is voor bedreiging of afdreiging en derhalve onder de Wet wapens en munitie valt.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de strafrechtelijke kwalificatie en de veroordeling van de verdachte voor het voorhanden hebben van een wapen van categorie I onder 7°, ondanks het ontbreken van een CE-markering op het pistool.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor het voorhanden hebben van een nagebootst pistool zonder CE-markering als wapen.