Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3 Beslissing
13 november 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor moord door middel van messteken in de hals en borst van zijn ex-vrouw, die op dat moment de gezamenlijke kinderen naar school bracht in Amsterdam-Noord. Het gerechtshof Amsterdam had verdachte eerder veroordeeld, waarna hij in cassatie ging bij de Hoge Raad.
Het cassatieberoep werd ingediend door de verdachte, bijgestaan door zijn advocaat. De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld op ontvankelijkheid en oordeelde dat de aangevoerde klachten onvoldoende waren om behandeling in cassatie te rechtvaardigen. Dit was omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 13 november 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard.