ECLI:NL:HR:2018:2107

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2018
Publicatiedatum
14 november 2018
Zaaknummer
18/02698
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake verdeling vof na echtscheiding

In deze zaak staat de verdeling van een tussen echtgenoten bestaande vennootschap onder firma (vof) na echtscheiding centraal. De zaak is in meerdere instanties behandeld, waaronder de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam, waarbij diverse vonnissen en een arrest zijn gewezen.

De eiser heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. De verweerder is in cassatie verstek verleend. De Procureur-Generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RO), omdat de eiser klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad heeft dit standpunt gevolgd en geoordeeld dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Daarom is het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. De eiser is veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, die aan de zijde van de verweerder nihil zijn begroot.

Het arrest is uitgesproken door de raadsheren van de Hoge Raad op 16 november 2018.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang en onvoldoende kans op slagen.

Uitspraak

16 november 2018
Eerste Kamer
18/02698
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes,
t e g e n
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/14/153543/HA ZA 14-133 van de rechtbank Noord-Holland van 21 mei 2014, 16 juli 2014, 10 september 2014, 4 maart 2015, 27 mei 2015 en 20 april 2016;
b. het arrest in de zaak 200.198.341/01 van het gerechtshof Amsterdam van 20 maart 2018.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op dit standpunt gereageerd.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2.3 en 2.4).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
16 november 2018.