Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
20 november 2018.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1973, stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 1 maart 2017, waarin hij werd veroordeeld voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en munitie, zoals bedoeld in artikel 26, lid 1, van de Wet wapens en munitie (WWM).
Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de vraag of een niet-ondertekend rapport van dactyloscopisch onderzoek als “ander geschrift” in de zin van artikel 344, lid 1, sub 5, van het Wetboek van Strafvordering kon worden aangemerkt. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het Gerechtshof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en Claassens, tijdens een openbare terechtzitting op 20 november 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Den Haag bevestigd.