Uitspraak
[klaagster 2], gevestigd te [plaats] .
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
20 november 2018.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam die klaagschriften van twee vennootschappen gegrond verklaarde. Deze klaagschriften strekten tot opheffing van beslag op vorderingen en een auto die waren gelegd ten behoeve van verhaal in een ontnemingszaak tegen een betrokkene, in het kader van de Rotterdamse havenaffaire.
De rechtbank had geoordeeld dat er geen strafvorderlijk belang meer was bij het handhaven van het beslag en dat de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet aan de orde was. Het Openbaar Ministerie verwees slechts naar eerdere processen-verbaal, maar gaf geen concrete en goed onderbouwde redenen om het beslag te handhaven. De rechtbank verklaarde daarom de klaagschriften gegrond.
De Hoge Raad stelt in cassatie vast dat de rechtbank niet de juiste maatstaf heeft toegepast bij de beoordeling van het klaagschrift. Volgens vaste jurisprudentie moet worden vastgesteld of buiten redelijke twijfel vaststaat dat de verzoeker als eigenaar van het in beslag genomen voorwerp moet worden aangemerkt en of de uitzonderingssituaties van artikel 94a, vierde of vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich voordoen. De rechtbank heeft deze maatstaf niet expliciet toegepast, waardoor de motivering ontoereikend is.
Daarom vernietigt de Hoge Raad de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor hernieuwde behandeling en beslissing op het bestaande klaagschrift. De uitspraak is gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 20 november 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor hernieuwde behandeling.