Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
20 november 2018.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een klaagschrift van een derde, de vader van de partner van de verdachte in de Rotterdamse havenaffaire, tegen het beslag op zijn banktegoeden en vorderingen die in het kader van een ontnemingsvordering tegen de verdachte zijn gelegd. De Rechtbank Rotterdam heeft het klaagschrift gegrond verklaard en het beslag deels opgeheven, omdat onvoldoende aannemelijk was dat het resterende beslag nog een strafvorderlijk belang diende.
De Officier van Justitie heeft in cassatie aangevoerd dat een bedrag van ruim zes miljoen euro aan de klager is gaan toebehoren en dat sprake is van verhaalsfrustratie ten aanzien van een deel van het beslag. De Rechtbank had echter geoordeeld dat de familiaire relatie tussen klager en verdachte onvoldoende was als argument voor handhaving van het beslag en dat onvoldoende aanwijzingen bestonden dat het beslag met het kennelijke doel was verkregen om de uitwinning te bemoeilijken.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank het strafvorderlijk belang onvoldoende heeft onderbouwd en dat het oordeel niet begrijpelijk is gelet op de door het Openbaar Ministerie aangevoerde feiten en omstandigheden. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking voor zover het het resterende beslag betreft en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Rotterdam voor hernieuwde behandeling van het klaagschrift.
De beslissing benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering van het strafvorderlijk belang bij handhaving van beslag op banktegoeden van derden en bevestigt de maatstaf dat de rechter moet vaststellen of de verzoeker buiten redelijke twijfel eigenaar is van het beslagene en of de uitzonderingssituaties van art. 94a lid 4 of 5 Sv zich voordoen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking over het resterende beslag en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling.